Koninklijke Fanfare Philharmonie
Koninklijke Fanfare Philharmonie
Zo luidt de officiële statutair vastgelegde naam van de Leendse fanfare. Bij de oprichting op 1 Mei 1850 werd de naam Philharmonie gebruikt. Dit Griekse woord komt vaak voor in de naam van blaas- en symfonieorkesten en betekent zoveel als de schone samenklank of de toonkunst beminnend. Met de vraag of het nu om een fanfare of harmonie ging had het bovenstaande niets te maken. Bij de oprichting van een muziekgezelschap in die tijd werd de samenstelling grotendeels bepaald door de toevallige aanwezigheid van spelers en de beschikbaarheid of betaalbaarheid van instrumenten. De Philharmonie trok in 1850 de ontslagen militaire muzikant Jan Lurmans uit Eindhoven aan om muziek te leren lezen, instrumenten te vinden, bespelen aan te leren en eigen dirigenten op te leiden. Dat kreeg alles zijn beslagen het is begrijpelijk, dat men pas in 1867 er toe kwam, het gezelschap te reorganiseren tot de: fanfare Philharmonie. Vanzelfsprekend een fanfare, want in de meeste plaatsen waren er hoogstens 20 muzikanten en dan is het verstandiger als fanfare te starten dan als harmonie. In de omringende dorpen waren er nog geen muziekgezelschappen te vinden en daarom kan men het spoor van de Philharmonie volgen bij allerlei feestelijke en/of plechtige gebeurtenissen in Maarheeze, Someren, Heeze, Oirschot, Helmond enz. dit gedurende de gehele 2e helft van de 19e eeuw. Na de viering van het vijftigjarig jubileum in 1900 groeide de fanfare gestaag in ledental en kwaliteit. Natuurlijk waren er onderbrekingen door de eerste en de tweede wereldoorlog en een periode van tegenslag en neergang van 1925-1931. Reeds in 1909 werd voor de eerste maal deelgenomen aan een concours; via talrijke andere deelnames werden de treden van de muzikale ladder beklommen. In 1956 werd het landskampioenschap in de Ere afdeling behaald en promotie gemaakt naar de hoogste afdeling, de Superieure. Tot ver in de zeventiger jaren werd hier voortdurend hoog gescoord (driemaal tweede op het landskampioenschap!). Maar onderhuids had het verval reeds ingezet, door weinigen bemerkt. De TV was gekomen, meer ontspanningsmogelijkheden voor de jeugd, buitenlandse vakanties,passieve recreatie. De animo werd minder en het ledenverlies ernstig. In 1971 waren er 24 oudere muzikanten en 12 zeer jeugdige leerlingen

Na 1975 werden de problemen snel groter. Het intussen verjongde bestuur nam structurele maatregelen, onder meer:
- Nieuwe Statuten
- De jeugdopleiding via de Muziekschool Weert
- Het Fanfare orkest onder professionele leiding
- Vrouwelijke muzikanten toegelaten
- Een jeugdorkest opgericht

Daarin werden weer uitstekende resultaten geboekt (en weer een tweede plaats in het landskampioenschap!). De viering van het millennium in 2000 stond voor Leende in het teken van het 150-jarig bestaan van de fanfare en werd aldus het Philennium genoemd! Het is nu 2005, het gaat goed met de Koninklijke Fanfare Philharmonie, het WMC in Kerkrade is het volgende doel; een eigen repetitie-gebouw met alle faciliteiten nadert zijn voltooiing na grote eigen inzet. Natuurlijk zijn er zorgen, zoveel financiële als muzikale, m.n. de opname van gediplomeerde leerlingen in het grote orkest, maar de grotere ruimte in het nieuwe gebouw, de akoestiek, de faciliteiten en de sfeer zullen ons bezielen om deze problemen aan te pakken.
Een kleine trom en grote trom met bekkens
Dat is dan het totale slagwerk van de dorpsfanfare in de tweede helft van de 19e eeuw. De bekkens waren (zelfs in 1950) nog aan de “dikke” trom bevestigd en werden samen met de trom door één man bediend. En waar had men deze instrumenten bedacht? In Turkije! In West-Europe kende men eigenlijk slechts dieptrommels en pauken. De eerste ziet en hoort men nog bij onze Leendse gilden, de laatste waren oorspronkelijk aan de adel voorbehouden. Op de foto van het 50-jarig bestaan in 1900 ziet men twee paukjes ter grootte van een flinke soeppan. De Philharmonie ging met zijn tijd mee! Langzaan gingen dan ook triangel, cimbaal, tamboerijn enz. deel uitmaken van het slagwerk. Waarvandaan? Uit Turkije! Eigenlijk zouden we beter het Nabije Oosten kunnen zeggen, want ze werden deels al door de Kruisvaarders meegebracht. Andere raakten in West-Europa door de Turkse Janitscharenmuziek bekend.


Op de foto van het 100-jarig bestaan in 1950 is van dit alles niets te zien, maar op de volgende foto (1960) zijn er twee opmerkelijke verschillen. Er zijn schellebomen te zien (we waren intussen koninklijk). Waar ze vandaan kwamen? Via de Janitscharen uit Turkije! Maar het tweede verschil is veel belangrijker. Er staat eindelijk een drumband op de foto. En geoefende slagwerkers uit die drumband waren ook in de concertzalen steeds meer nodig. De muziek werd gelukkig steeds eigentijdser en door de invloed van de moderne dansmuziek en de jazz kwamen er weer vele slaginstrumenten bij. Ditmaal soms afgeleid van Amerikaanse voorbeelden of “ingeburgerd”via de Latijns-Amerikaanse muziek. Noemen we even marimba, kongo’s, conga’s, claves en vergeten we niet Hi-hats en vibrafoons, xylofoons enz. enz.

En zo zijn we van trom en bekkens beland bij een slagwerkensemble, dat zelfstandig kan concerteren, als drumband de marstred erin houdt en het ritmische fundament vormt voor het blaasorkest van de Koninklijke Fanfare Philharmonie.